Een Oostenrijks meisje op Ovezand

Deel 2 De komst van mijn moeder naar Ovezand

Tekst door Herman van Woerkens 2022

De eerste keer naar Nederland

Enkele dagen na het overlijden van Pastoor van der Bom verscheen er in de Nieuwe Zeeuwsche Courant1 een kennisgeving van het sub-comité uit Goes, dat zij een circulaire hadden verzonden aan ‘alle heeren predikanten, pastoors, hoofden van scholen, enz. op Noord- en Zuid-Beveland’ waarin de medewerking van de bevolking werd gevraagd om zich aan te melden als pleegouder voor de duur van 10 weken. Het is mogelijk naar aanleiding van dit krantenartikel dat Meester de Waal en zijn vrouw, die sinds hun huwelijk in 1914 ongewenst kinderloos waren gebleven, zich hebben aangemeld als pleegouder voor een Oostenrijks kind.

In de loop van 1920 kwamen de eerste kindertreinen door naar Zeeland en in een oude Oostenrijkse krant2 heb ik het volgende kunnen lezen: ‘Zo is op 25 mei een trein met 580 kinderen uit Wiener-Neustadt en omgeving vertrokken en op 6 juni een trein met 580 kinderen uit Leobersdorf en Neunkirchen’. Aangezien mijn moeder in Neunkirchen was geboren en inmiddels dus 6 jaar oud was en mocht reizen, kan het goed zijn dat zij met het laatste van deze twee kindertransporten voor de eerste keer naar Nederland is gekomen. En zo heeft zij ook voor de eerste keer kennis kunnen maken met het leven op Ovezand. Wat zal ze als klein meisje hebben opgekeken van al die mensen die in klederdracht liepen. Maar wat zal ze ook genoten hebben van de liefdevolle opvang van mijn ‘opa en oma’. Na de zomervakantie van 1920 kwam tot groot verdriet van haar pleegouders de tijd dat zij weer naar huis terug moest. Opa en oma waren erg aan haar gehecht geraakt en zij zagen het als een geschenk uit de hemel wanneer zij dit kind een goede toekomst mochten geven. Met name mijn oma was ontroostbaar. Daarop werd door opa met hulp van het NRKHC contact gezocht met de familie van mijn moeder in Oostenrijk. Haar vader was uit beeld. Hij zou in de oorlog zijn omgekomen. Haar moeder leefde in grote armoede en had de zorg voor haar vier andere kinderen ook nog. Mijn opa deed het voorstel om haar op zijn kosten in de Kerstvakantie weer terug te laten komen naar Ovezande om verder aan te sterken en in veiligheid te laten opgroeien voor zo lang als dat zou duren. De moeder stemde hiermee in en zo kwam mijn moeder terug naar Ovezand.

De afkomst van mijn moeder en haar definitieve komst naar Ovezand

Zo is mijn moeder rond Kerst 1920 teruggekomen. Maar wie was dat meisje? Mijn moeder werd op 6 december 1913 geboren in Neunkirchen (NÖ), een stadje op ongeveer 80 km ten zuiden van de Oostenrijkse hoofdstad Wenen en gelegen in een prachtige landelijke omgeving te midden van bergen met boerderijen en uitgestrekte alpenweiden. Via een van oorsprong Duitse site, https://data.matricula-online.eu/de/3, waarin ook een verzameling van door de Oostenrijkse RK kerken bijgehouden doop-, huwelijks- en overlijdensregisters te vinden is, heb ik haar geboorteakte kunnen terugvinden. Hierdoor ben ik meer te weten gekomen over haar familie en heb ik ook gegevens over haar ouders en boers en zussen kunnen achterhalen.

Haar vader, Franz Heinfellner (ook Hainfellner werd gebruikt), was dagloner van beroep en woonde inmiddels zelfstandig. Hij was op 14 juni 1903 getrouwd met Maria Fün(c)k, een meisje dat werkte en woonde op de boerderij van zijn ouders. Ze was nog maar 18 jaar en dus minderjarig, terwijl haar man al 35 jaar was. Voor het huwelijk moest dus eerst dispensatie worden aangevraagd. Zodra dat was geregeld werd het kerkelijk huwelijk ingezegend in de kleine Pfarrkirche Sankt-Philip und Sankt-Christoph te Kranichberg.

Kranischberg 2016: Pfarrkirche Sankt-Philip und Sankt-Christoph

Op het moment dat mijn moeder definitief naar Ovezand kwam was haar vader al uit beeld. Het verhaal ging dat hij in de oorlog vermist was geraakt. Haar moeder zorgde voor de andere vier kinderen in het gezin. Twee oudere jongens en twee oudere meisjes. De oudste broer, Johan, was inmiddels 16 jaar en werkte als lasser op de Schoeller-Bleckmann staalfabriek in het dorp Ternitz, waar de familie inmiddels woonde. Hij zorgde bij afwezigheid van vader dat er inkomsten waren.

Bij het zoeken naar informatie over mijn moeder heb ik bij toeval ontdekt dat haar vader niet, zoals altijd is verteld, vermist is geraakt tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar dat hij in 1922 op 54 jarige leeftijd is overleden in het armenhuis van het stadje Gloggnitz. Dit heeft mijn moeder nooit geweten!

(Wordt vervolgd)

Noten:

1 Nieuwe Zeeuwsche Courant, 13-12-1919 – Krantenbank Zeeland

2 Reichspost, 04-08-1920, nummer 213, pagina 6 – ‘Das Liebeswerk der Holländischen Katholiken’ – ANNO Zeitungen

3 Matricula, geboorteakte van mijn moeder http://data.matricula-online.eu/en/oesterreich/wien/neunkirchen/01-35/?pg=126

__________________________________________________________________________________________________

Deel 1 Inleiding

De Oostenrijkse actie van het Nederlandsch R.K. Huisvestings Comité

Tekst door Herman van Woerkens 2022

De voorgeschiedenis

Niet lang na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 kwam er in dat najaar vanuit België een enorme vluchtelingenstroom op gang. Belgen zochten massaal een veilige toevlucht in het neutraal gebleven Nederland. Zeeland, evenals Noord-Brabant en Limburg, waren als grensprovincies van België, de eerste provincies die hiermee te maken kregen. Zeker na het bombardement op Antwerpen van 8 oktober 1914 groeide hun aantal uit tot ongeveer een miljoen. Op allerlei manieren ontvluchtten de Belgische burgers hun land. Per trein, met alles wat maar rijden kon en veelal gewoon te voet. In Zeeland werden ca. 400.000 burgers opgevangen, in Noord-Brabant ca. 500.000 en in Limburg ca. 100.000. De vluchtelingen werden in eerste instantie geplaatst in vluchtelingenkampen. In Zeeland werd hiervoor in de gemeente Hontenisse[1] op Zeeuws-Vlaanderen een groot opvangkamp ingericht. Daar verbleven zo’n 4000 vluchtelingen. Maar er werden ook veel vluchtelingen opgevangen door particulieren. Lokale comités werden opgericht om zich hiervoor in te zetten. Ook op Ovezand[2] werden vluchtelingen ondergebracht.

Omdat de stroom vluchtelingen bleef aanhouden en de situatie de zuidelijke provincies boven het hoofd groeide werden ook elders in ons land kampen opgebouwd voor de opvang. Men sprak liever van ‘vluchtoorden’, die soms uitgroeiden tot een soort dorpen. Compleet met ziekenhuisjes, leeszaal, kerken, winkels, postkantoren en soms zelfs een schouwburg.

Hontenisse 1914: Opvang van Belgische vluchtelingen (Foto: Wikimedia Commons)

Oprichting van het Centraal Comité (het latere Nederlandsch R.K. Huisvestings Comité)

In Leiden werd op 26 september 1914 door enkele vooraanstaande katholieken een Centraal comité opgericht om de vluchtelingenopvang beter te coördineren. Omdat de situatie in de vluchtoorden hier en daar schrijnend was, zeker voor kinderen, stelde het Comité zich aanvankelijk ten doel om de kinderen uit de oorden waar de vluchtelingen werden ondergebracht een betere huisvesting te bieden. In een tijd van verzuiling werden in het land ook andere initiatieven opgezet.

In 1917 waren de meeste Belgische vluchtelingen inmiddels weer naar hun land teruggekeerd en verhuisde het Centraal Comité, waarvan de naam inmiddels was gewijzigd in het Nederlandsch R.K. Huisvestings Comité (verder NRKHC), vanuit Leiden naar ’s-Hertogenbosch. De voormalig bisschoppelijk onderwijsinspecteur A.F. Diepen, die in Leiden al deel uitmaakte van het bestuur en inmiddels tot bisschop van ’s-Hertogenbosch was geroepen, werd voorzitter van het nieuw opgerichte bestuur. De heer Jos. Van Mackelenberg, een bekende middenstander uit de stad, werd tot directeur van het bureau aan de Zuid-Willemsvaart 163 benoemd. Na de opvang van Belgische- en in mindere mate Duitse kinderen (dit stuitte op nogal wat kritiek) richtte de aandacht van het nieuwe comité zich vanaf dat moment op de opvang van kinderen uit andere landen. Zo groeide de idee om kinderen, die ongewild slachtoffer waren geworden van het oorlogsgeweld, voor een periode van ca. 6 weken naar ons land te halen om in een veilige en onbevangen omgeving te kunnen aansterken. 

’s-Hertogenbosch 1917: Het bestuur van het Nederlandsch R.K. Huisvestings Comité in vergadering
(Foto: www.goulmyenbaar.nl)

Opvang van een groep van 24 Oostenrijkse meisjes

Het bestuur van het NRKHC kwam in contact met een Nederlandse pastoor die sinds 1913 in het dorpje Ober-Hollabrunn bij Wenen woonde en werkte. Hij was afkomstig uit een bekende boomkwekers-familie uit Oudenbosch. Zijn naam was Antonius Johannes Maria van der Bom.

De val van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk had het land uitgeput en de situatie in de Oostenrijkse hoofdstad was op dat moment miserabel. Er heerste behalve ziekten en grote armoede hongersnood onder de bevolking. Ook dit keer waren de kinderen de meest kwetsbare groep.De pastoor had zich het lot van de noodlijdende kinderen zeer aangetrokken en wilde iets doen.

Pastoor Antonius Johannes Maria van der Bom 1868-1919 (Foto: BHIC/Katholieke Illustratie)

Er werd met behulp van de Katholischen Frauen Organization von Nieder-Österreich (KFÖ), de katholieke vrouwenbond, die onder leiding stond van Barones Elize Rast, een groep van 24 Weense meisjes in de leeftijd van 7 tot 11 jaar geselecteerd die voor een aantal weken met de trein naar Nederland mochten om aan te sterken. Pastoor van der Bom en zijn zus Antoinetta Isabella Maria, die in hetzelfde dorpje in het ziekenhuis werkte als verpleegster, bereidde een reisje voor en beiden traden op als begeleider van de groep. Op 10 augustus 1917 vertrok de trein uit Wenen, die in de avond van 11 augustus te Oudenbosch aankwam, waar de kinderen werden ondergebracht in het pensionaat Sint-Anna en bij familieleden van de pastoor en zijn zus. De kinderen werden in de watten gelegd. Ze kregen behalve goed te eten nieuwe kleren, die door de zusters van het pensionaat waren gemaakt, en nieuwe schoenen. En er werden uitstapjes gemaakt o.a. naar Rotterdam en naar zee. Na enkele weken kreeg de familie van der Bom bezoek van familieleden uit Goes. De familie Stieger was nieuwsgierig geworden en wilde de meisjes wel eens ontmoeten. Om hun familie in Oudenbosch te ontlasten nodigde de heer Stieger de groep uit om voor twee weken naar Goes te komen. Bij terugkomst werd haastig gezocht naar pleeggezinnen om de kinderen onder te brengen. Gelukkig hadden de Stiegers een grote familie in Goes. Op 8 september kwamen de meisjes in Goes aan, waar ze bleven tot hun vertrek op 25 september terug naar hun vaderland.

Het ontstaan van de Oostenrijkse actie

Deze eerste reis en nog enkele reizen een jaar later hebben het begin gevormd van wat uitgroeide tot een grote kinderhulpactie voor Weense- en later andere Oostenrijkse kinderen. Onder de naam ‘Oostenrijksche actie’ heeft het NRKHC tussen 1918 en 1924 veel kinderen naar ons land gehaald om ze voor een periode van 6 weken te laten aansterken. De kinderen moesten minimaal 6 jaar zijn om te mogen reizen. Voor de allerkleinsten werden opvangmogelijkheden in de omgeving van Wenen geopend, de zogenoemde ‘Kinderheime’. Pleegouders in Nederland konden van deze kinderen een foto ‘kopen’ bij het NRKHC, waarmee ze zich financieel garant stelden voor de opvang en verzorging.

Het NRKHC was in eerste instantie voornamelijk actief in Noord-Brabant met het zoeken naar geschikte pleegouders, die de kinderen gedurende hun verblijf in ons land wilden opvangen en verzorgen. Met name Dhr. Dr. G.M. Kusters, die secretaris was van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB), heeft hierin een grote rol gespeeld en in augustus 1919 werd hij gekozen als bestuurslid van het NRKHC. Omdat de nood hoog was breidde de actie zich uit over de rest van het land. In heel veel plaatsen werden sub-comités opgericht om zich lokaal of regionaal in te zetten. Behalve met het zoeken naar geschikte pleegouders, hielden de sub-comités zich eveneens bezig met het inzamelen van geld, voedsel en kleding. Ook hier gold weer dat er verschillende initiatieven waren door de verzuiling. Ik heb mij beperkt tot het katholieke deel van de hulpverlening[3].

De grondlegger van de ‘Oostenrijksche actie’, Pastoor van der Bom was, op 28 oktober 1919, na een verblijf van drie maanden in Nederland om de hulpverlening nog beter af te stemmen, met een kindertrein naar Wenen teruggereisd. Daar werd hij na een hevige aanval op 7 december nog geopereerd aan zijn maagkwaal, maar overleed helaas enkele dagen later, op 10 december 1919 te Ober-Hollebrunn, op 52 jarige leeftijd aan een longontsteking.

(Wordt vervolgd)

Noten:

[1] Zeeuwse ankers – video over het vluchtelingenkamp Hontenisse       

[2} Zeeuws archief – de zoekterm ‘vluchteling Ovezande’ geeft al 117 resultaten

[3] Voor het hele achtergrondverhaal verwijs ik naar de site van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) te ’s-Hertogenbosch. Op www.bhic.nl is onder ‘verhalen’ mijn hele verhaal over de Oostenrijkse actie te lezen. Het verhaal heeft de titel ‘Oostenrijkse kinderen opgevangen na de Eerste Wereldoorlog’.